Eduard Soons; De wilde jaren 1983-1986

Spelen zonder souffleur was een echte revolutie. Niet meer de rol opzeggen, maar je inleven in de personage die je ten tonele moest voeren. Dat was de opdracht. Een ware cultuurshock. Helemaal teruggeworpen op jezelf en dan van daaruit je rol opbouwen. Met karaktertrekken die de jouwe niet waren. Wat zouden de mensen wel niet zeggen als ze je zo zagen spelen? Misschien dachten ze wel dat je werkelijk zo was...

De een kon makkelijker uit de voeten met die manier van werken dan de ander. Maar het bleef een niet geringe opgave. Nadat Harrie Moonen had aangegeven als regisseur te willen stoppen, begon onder mijn aansturing een nieuw tijdperk. Dat van improviseren en experimenteren. Stoeien met rollen, met je vrij voelen op het toneel, niet uit de rol vallen als jie tegenspeler iets anders deed en zei dan in je boekje stond (Eugène Kerkhofs was daarin een voorbeeld en plaaggeest tegelijk). Dat was echt spannend. Zou het de spelers lukken? Zouden ze dit ooit onder de knie kunnen krijgen?
Geoefend werd met het spelen van wagenspelen waarbij acteurs naast op elkaar, ook op het publiek dienden in te spelen. Muziek kwam erbij. Jonge enthousiaste muzikanten van de fanfare sloten zich aan, zoals Guido Frissen, Hans Lucassen, Gerrit Zeegers. Deze laatste componeerde vanaf dat moment zelfs regelmatig muziek als ondersteuning bij uitvoeringen. Het kluchtenrepertoire werd even in de ijskast gezet. Gewerkt werd er nu met blijspelen. Goede blijspelen, met een actuele thematiek, met een dramaturgisch goede opbouw en met makkelijk speelbare teksten, mits van binnenuit gevuld.
Het eerste avondvullend stuk werd een blijspel van Moliere ‘De Ingebeelde Zieke’. Een echte (leuke) uitdaging in meerdere opzichten. Het stuk werd niet in een traditioneel decor gespeeld, maar in doeken! Met hier en daar een stoel. Meubilair werd vanaf nu functioneel gebruikt. Er stonden geen tafel meer en geen stoelen waarin spelers bij gebrek aan beter te pas en te onpas konden gaan zitten. Elke plek waar werd gelopen en gestaan lag in grote lijnen vast, in mise en scène, als was het een choreografie. Ook dat was wennen. En daar kwam nog eens bij dat ook de locatie van de opvoeringen veranderde. De toneelgroep zocht het publiek op. Het stuk werd op drie verschillende locaties opgevoerd: in café Oud Sjummert, café Sint Hubertus en café Het Weverke. De toneelclub speelde op locatie. Wel veel werk met opbouwen en afbreken. Speciaal hiervoor werd zelfs een demontabele bühne ontworpen en gemaakt door Hein Kubben en Frans Aarts. Een bühne met hoogteverschillen en zodanig geconstrueerd dat niet noodzakelijkerwijs op het toneel gespeeld hoefde te worden. Dat kon nu ook in de zaal, naar gelang het qua ruimte uitkwam. Veel voorstellingen vonden dan ook niet op het toneel plaats, maar in de zaal zelf, met het publiek eromheen. Om de betrokkenheid tussen handeling, spelers en publiek te vergroten. Huiskamertheater, bijna.
De affiches, ontworpen door Annet Goltstein, waren een plaatje. Flink werd er gerepeteerd, vaak tweemaal per week, in onze vaste toneeltempel Herberg Mareveld. En elke keer weer, ook in de winter, vooraf het podium opbouwen en na de repetitie weer afbreken. En na de repetitie napraten en ‘van alles en nog wat’ uitdokteren, tot in de kleine uurtjes, met Juul als onvergetelijke gastheer.
En gespeeld werd met grote overgave.
Nog twee avondvullende stukken volgden ‘Van de Vos Reinaerde’ en ‘De Herbergierster’ van Carlo Goldoni. En tussendoor nog andere activiteiten.
Al improviserend ontstond de eerste Driekoningenvoorstelling, een volledig eigen productie, het stuk met de grote piepschuimtaart, als start van een nieuwe traditie. Eenakters werden ingestudeerd voor onder meer de lagere school en het Antiek en Folklorefestival in Wijnandsrade op inmiddels een nieuwe repetitielocatie, de toneelzolder van het Oud Gemeentehuis in de Hoofdstraat. Een drukke tijd.

En toen opeens was het voorbij, waren de drie jaar die ik mijzelf als termijn van aanblijven als regisseur gesteld had voorbij. Immers, in mijn ogen moest niet een regisseur te lang de dienst uitmaken. Gewenning en vervlakking zouden de inspiratie teniet doen en het plezier in het echt toneelspelen geen goed. Bovendien was het ook even mooi geweest. De groep was toe aan iets anders. Een deel van de spelers wilde bovendien wel weer eens terug naar het oude kluchtwerk met minder repetities en een gierende zaal. En dat kon nu, kwam goed uit.
Met heel veel plezier heb ik drie jaar lang met veel ‘oudgedienden een te gekke tijd gehad, waarin veel, bijna alles mogelijk was. Het waren wilde jaren, die jaren van 1983, 1984 en 1985! Met dank aan de sterren van toen: Ben Heiligers, Riet Souren-Savelsberg, Eugène Kerkhofs, Lei van Oppen, Frank Nijsten, Hans Stevens, Hubert Goossens, Annie Speetjens, Annie Goossens-Souren, Tiny Hennekens-Speetjens, Leny Kubben-Van Hoof, Mieke Schiffelers-Cruts, Gé Soons, Gerrit Zeegers, Guido Frissen, Hans Lucassen, Annet Goltstein en aan de onmisbare vaklui achter de schermen Hein Kubben, Frans Aarts en Philomène Stevens- Snellings.

Of het ooit zo wild wordt als toen, wie zal het zeggen… In elk geval proficiat met jullie fraaie jubileum en voor jullie toekomst veel suc- ces en vooral veel speelplezier toegewenst!

Ik zou zeggen: crescendo!!

Reserveren

Zodra de kaartverkoop voor onze nieuwe productie start, kunt u hier reserveren.

Facebook

Blijf op de hoogte van het meest recente Crescendo nieuws, volg ons op Facebook.